|
04 De Groene Hoed
Ik ben geboren in 1949 in een zijkamertje van kleermakerij Slinger op
Bloemgracht 121 drie hoog. Het was een kleine woning aan de goudkust van
de Jordaan, dat in die tijd nog een echte volksbuurt was. Het was toen
gebruikelijk dat men elkaar een bijnaam gaf. Zo heette mijn vader
bijvoorbeeld De Groene Hoed. Ik heb hem nooit anders gekend dan met een
groene hoed. Waarom juist groen kan ik hem niet meer vragen, omdat hij
al 46 jaar geleden ‘voor zijn eigen begonnen is’. Mijn vader kocht zijn
hoeden altijd bij Smit, op de hoek van de Westerstraat en de Tweede
Anjeliersdwarsstraat. Ik mocht dan vaak mee, wat ik heerlijk vond, want
Smit was een echte Mannenzaak. Wat mijn moeder betreft, zij was een
lieve vrouw met veel humor, maar ging er altijd prat op dat ze niet uit
een volksbuurt kwam. Zij was immers geboren op de hoek van de
Marnixstraat en de Nieuwe Tuinstraat! Dan moet je niet verbaasd staan
dat je al snel De Barones wordt genoemd. Jaren later kwam ik erachter
dat bijnamen ook elders gebruikelijk waren. Zo werd mijn eerste manager
Jan Buys in Volendam Jan Tuf genoemd, omdat hij zo van toffees hield. Op
de voordeur van diens broer Jaap (de manager van Jan Smit) prijkt al
jaren de naam Jaap Kas. Een goede verstaander begrijpt dat dat met Kassa
te maken heeft. Afijn. Bij ons aan de overkant had je indertijd Bep met
de Bijl en Hein Bordewater. Bep had Hein met een bijl over de gracht
nagezeten en Hein was zo’n zakkenwasser die voor zijn Beppie afwaste. En
wie herinnert zich niet Na Hoededoos, die met tweedehands kleren op de
Lindegracht stond? De nette verklaring voor haar naam was dat ze in een
grijs verleden hoeden zou hebben verkocht. Maar het gerucht ging dat ze
niet meer helemaal ‘compleet’ was, omdat een overenthousiaste Canadees
tijdens de bevrijdingfeesten een hap uit haar doos genomen had. Ik neem
maar aan dat de hoed van mijn vader nooit iets met Na’s hoedendoos te
maken heeft gehad.
03 Nieuwjaar wensen
Armoe of niet, met de feestdagen kwam er altijd iets extra’s op tafel.
Als we met kerst uit de nachtmis van de Keizersgrachtkerk kwamen was de
tafel al gedekt. Mijn oudste zus en mijn broer waren snel op de fiets
naar huis gegaan om de boel klaar te zetten. Ik liep samen met mijn
ouders en andere twee zussen via de Westermarkt en de Rozengracht terug
naar de Bloemgracht, waar wij woonden. Thuis lag dan ineens Jezus in het
kribje en brandden er kaarsjes bij de kerststal. Omdat mijn zus Gerda
bij bakkerij Het Stoepje werkte was er aan kerstbrood met spijs geen
gebrek.’s Middags haalden wij, de kinderen, tante Marie op van
Westerkade 4. Tante Marie was geen familie, maar ze hoorde er wel bij.
Veel families hadden wel zo’n vrijgezelle kennis of (ex-)buurvrouw.
Tante Marie was echt een knuffeltante en ze had een goed gevoel voor
humor. Maar er was ook een aangewaaide tante waar ik niet gek op was. Op
Oudejaarsdag werden er in de keuken oliebollen en appelflappen gebakken.
Vlak voor de oorlog was mijn vader slagersknecht geweest en daardoor
meester in het maken van kroketten. Op Nieuwjaarsdag werden mijn zussen
en ik erop uitgestuurd om her en der ‘Nieuwjaar te wensen’. Voor wie dat
niet had namen wij dan een paar oliebollen en warme kroketten mee. Zo
was daar ook tante Suze, die voor ons wel eens wat breide. Ze was oud en
woonde in een hoekje van het Andrieshofje op de Egelantiersgracht. In
die tijd had je nog geen Tena Lady’s en geld voor de kapper was er niet.
Vanwege wat achtergebleven stompjes paste ze ook geen kunstgebit van het
Waterlooplein. Scheren was voor mannen en dan heb ik het alleen nog maar
over tante Suzes gezicht. ‘Geef jij tante Suze maar een kusje, Harry’
zei Gerda vriendelijk. Eigenlijk was het een gebod, omdat mijn zus al
jaren huiverde van tantes enge harde stoppels. Dus dames, ik word door u
graag gekust, maar weet dat ik op dat gebied in mijn vroege jeugd een
klein trauma heb opgelopen.
Sinterklaas rond 1955
Ik was de jongste van vijf kinderen. Mijn broer en drie zussen deden er
alles aan om kleine Harry zo lang mogelijk in de Goedheiligman te laten
geloven. Al riepen mijn vriendjes nog zo hard dat die ouwe niet bestond,
ik wist dat ze mij thuis niet in de maling zouden nemen. Mijn hele
familie zette immers zijn schoen. Trouwens, ik had Sinterklaas toch zelf
door de stad zien rijden? En van Piet snoep gekregen? Met zus Ria ging
ik naar De Bijenkorf. Buiten bekeek je eerst die prachtige etalages met
bewegende poppen. Dan ging je naar binnen, want in het hoge gedeelte van
de winkel hing een grote klok waarop stond hoe laat de Sint zou
verschijnen. We gingen met de roltrap naar de eerste, of als het vol was
naar de tweede etage. Vol spanning keken we over de balustrade naar het
balkonnetje aan de overkant. Ondertussen klommen er Pietenpoppen langs
de touwen. Ik had het niet meer als Sinterklaas klokslag op tijd
arriveerde. De Pieten kwamen langs om onze tekeningen in ontvangst
nemen. Er mochten ook altijd een aantal kinderen bij Sinterklaas komen
om hem een handje te geven en een praatje te maken. Ik mocht nooit bij
hem komen. Er werd gezegd dat die kinderen gelijk met Sinterklaas jarig
waren. Amme hoela, mijn zus Gerda was ook op 5 december jarig en die is
nooit bij hem geweest. De speelgoedafdeling was hofleverancier van
Sinterklaas. Pas later begreep ik waarom wij die mooie spullen van De
Bijenkorf nooit kregen. Wij kregen alleen praktische cadeaus, zoals een
pyjama op de groei, een muts en handschoenen, een nieuwe deken, of als
je mazzel had een paar Friese doorlopers. Wel neppers natuurlijk, zonder
krul. Rond mijn negende hebben ze mij toch maar verteld dat Sinterklaas
niet bestond. Anders had ik nu nog in hem geloofd. Ik heb me nog nooit
zo belazerd gevoeld. Nou, toen mijn schaatsen het jaar daarop dwars
onder mijn schoenen kwamen te zitten heb ik die Sint in gedachten mooi
keihard aan zijn baard getrokken.
|
Harde manchetten
In mijn herinnering waren de winters van de jaren 50 veel
strenger dan ze in werkelijkheid vast waren. Maandenlang
werd er op de grachten geschaatst en er lagen bergen sneeuw
in de stad. Een gure wind maakte je jongeheer nog kleiner
dan ie al was. Zodra je wakker werd ademde je bevroren
wolkjes uit en er stonden bloemen op de ramen. Een altijd
brandend oliestelletje in de keuken voorkwam dat de
waterleiding zou bevriezen. Wij droegen jeukende wollen
sokken en een wollen borstrok, die tante Suze het hele jaar
door voor de hele goegemeente zat te breien. ‘s Avonds na
het eten lazen mijn zussen rond de kolenkachel enge verhalen
voor om kleine Harry bang te maken. Of zongen ze droevige
liedjes waardoor ik moest huilen. Dan konden ze hun kleine
broertje weer troosten. Vlak voor het naar bed gaan kwam het
moeilijkste moment van de dag. Nou, zeg maar gerust: heeft
mijn moeder mij een jeugdtrauma bezorgd. Zodra de ‘r’ in de
maand kwam haalde ze ‘de fles’ uit het keukenkastje
tevoorschijn en hield ze mij een eetlepel voor met
levertraan van Jacob Hooy. ‘Niet in je mond houden, meteen
doorslikken,’ gebood ze, terwijl ze mijn neus dichtkneep. Er
was geen ontkomen aan. Als troost kreeg je een schepje
suiker toe. Nou bestond er wel een dure soort levertraan,
maar wij hadden natuurlijk een minder zuivere kwaliteit. Die
was donkerder, met een ranzige smaak en de geur van rotte
vis. Die penetrante smaak vergeet je je leven niet meer. Als
je onder de dekens een boertje liet, meurde je hele bed er
naar. Levertraan moest je slikken om te voorkomen dat je
verkouden werd of griep kreeg. Bij mij thuis zeiden ze dat
je kinderen zonder levertraan kon je herkennen aan die
geelgroene snotterbellen op hun bovenlip. Erger vond ik nog
de harde manchetten die die kinderen hadden. Zij kregen van
thuis geen zakdoek mee. Nu denk ik dat die snotneuzen
misschien toch beter af waren. Want van het schepje suiker
is alleen de tandarts beter geworden.
|